ECLI:NL:RBZWB:2025:8319

ECLI:NL:RBZWB:2025:8319, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-11-2025, 02-223142-25

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 26-11-2025
Zaaknummer 02-223142-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001941

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk uitvoeren, vervoeren of aanwezig hebben van heroïne. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte door haar nalatigheid om door te vragen aan de medeverdachte, verwijtbaar is met betrekking tot de in de auto, waarin zij als passagier zat, aangetroffen heroïne. Er was dan ook geen afwezigheid van schuld en bewezen wordt verklaard dat verdachte ongeveer 2 kilogram heroïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 2 weken met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-223142-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 november 2025

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

wonende te [woonplaats] ( [land] )

raadsvrouw mr. F.W.M. Hopmans, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. D.E. van Hout en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met een ander ongeveer twee kilo heroïne heeft uitgevoerd, vervoerd en aanwezig heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van ongeveer twee kilo heroïne.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Verdachte had geen wetenschap van de heroïne die is aangetroffen en ook was er geen sprake van een gezamenlijke machtsuitoefening met betrekking tot die heroïne. Gelet hierop moet verdachte worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 12 augustus 2025 samen met [medeverdachte] van Frankrijk naar Nederland is gereden in een Citroën C3 met Frans [kenteken] . Verdachten en het voertuig zijn die avond omstreeks 23.30 uur in [plaats] door de politie gecontroleerd. Ze reden toen richting noorden. Om 0.20 uur die nacht (dus 13 augustus 2025) is het voertuig gesignaleerd in Rotterdam. Rond 1.45 uur heeft de politie verdachten en het voertuig opnieuw gecontroleerd in Zevenbergschen Hoek. Ze reden toen richting zuiden. Daarbij heeft bestuurder [medeverdachte] vier pakketten uit het raam gegooid, die later zijn aangetroffen, en waarin in totaal ongeveer twee kilo heroïne bleek te zitten. [medeverdachte] was telkens de bestuurder, verdachte de bijrijdster.

Wetenschap en opzet

De raadsvrouwe betoogt dat verdachte geen wetenschap had dat in de vervoerde pakketten heroïne zat, zodat geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank bevindt zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te kunnen spreken van (voorwaardelijk) opzet. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat er heroïne in de auto zat, dat die drugs zich in haar machtssfeer bevonden en dat het haar bedoeling was om die drugs te vervoeren of buiten Nederland te brengen. Gelet hierop wordt verdachte vrijgesproken van het opzettelijk uitvoeren, vervoeren of aanwezig hebben van heroïne.

Aanwezig hebben 2000 gram heroïne

Impliciet is aan verdachte tenlastegelegd dat zij 2000 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

Uit de vaststaande feiten volgt dat daarvan sprake is in de auto waar verdachte de bijrijder was.

Afwezigheid van schuld

De raadsvrouwe betoogt dat er bij verdachte geen sprake is van schuld.

Hierover oordeelt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft bij verschillende gelegenheden wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd, met name waar het gaat om de bedoeling en duur van hun reis naar Nederland. Ook zei verdachte sommige vragen niet te kunnen beantwoorden of antwoordde zij onlogisch op (vervolg)vragen. Zo zouden verdachten aanvankelijk een relatie hebben en een weekend naar Amsterdam gaan voor een bezoek aan een casino. Ze waren echter vertrokken op een dinsdag en zouden de volgende dag weer terug moeten zijn in verband met een afspraak in het ziekenhuis. Een hotel hadden ze ook niet geboekt, dat zouden ze ter plekke doen. Later werd de bestemming toch Rotterdam, om daar in de buurt te gaan wandelen. Midden in de nacht. Verdachte was echter moe, dus zouden ze naar Antwerpen rijden en daar het eerste hotel nemen dat ze konden vinden. In Rotterdam was namelijk geen hotel beschikbaar. En bij nader inzien hadden verdachten ook geen relatie, maar waren ze gewoon vrienden. Over de 5.500 euro aan cashgeld dat bij de eerste controle in de auto werd aangetroffen, verklaarde verdachte aanvankelijk niet te weten waar het vandaan kwam en waarvoor het was bestemd. Later zou [medeverdachte] er een auto van gaan kopen, maar het was niet bekend waar. En evenmin hoe die auto dan zou worden vervoerd, aangezien verdachte geen rijbewijs had. Ook voor de aangetroffen drugs had verdachte geen verklaring. In Rotterdam zou zij korte tijd uit de auto zijn geweest en toen zou de tas zijn overgedragen aan [medeverdachte] . Verdachte zegt daarvan niets meegekregen te hebben en pas toen de politie achter hen reed en medeverdachte de pakketten uit het raam gooide het besef te hebben gehad dat er iets niet deugde. Tot die tijd lag de tas met drugs in het gesloten dashboardkastje, zo verklaren beiden Van belang hierbij is dat door verbalisanten tijdens meerdere controles is gebleken dat kappen van het dashboard los waren.

Gelet op alle hiervoor beschreven omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt de rechtbank het goed denkbaar dat verdachte tijdens de autorit in Nederland in een benarde positie was geraakt. Zij wist op enig moment van het ongewoon grote geldbedrag van 5.500 euro, wat bestemd zou zijn voor het casino of een auto, maar er werd vervolgens niet naar een casino gegaan en ook geen auto gekocht. De reisbestemming wisselde en verdachte bevond zich steeds later op de avond, als enige passagier in een auto, ver van huis in een verder onbekend land. Toch had verdachte op dat moment kritische vragen moeten stellen aan [medeverdachte] , waar zij ook voldoende tijd en gelegenheid voor had. Verdachte had daarmee kunnen uitsluiten of in elk geval het risico kunnen beperken dat zij (nog langer) betrokken zou raken bij mogelijk illegale activiteiten van [medeverdachte] . Dit heeft verdachte nagelaten en zij is er lichtzinnig en onterecht van uitgegaan dat er niets strafbaars gaande was. Daarmee is zij verwijtbaar gebleven op een plaats waar mogelijk drugs aanwezig waren. Weliswaar had verdachte geen opzet in het geheel, maar door haar nalatigheid is er bij haar geen sprake van afwezigheid van schuld dat zij zich bevond in een auto waarin heroïne aanwezig was.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 augustus 2025 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, aanwezig heeft gehad, ongeveer 2.000 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat, nu een vrijspraak is bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van heroïne. Dat is een ander feit dan bewezenverklaard is bij medeverdachte, namelijk opzettelijk verlengde uitvoer van heroïne. Verdachte heeft zowel in Frankrijk als in Nederland geen strafblad en ook tijdens de schorsing van haar voorlopige hechtenis zijn er geen meldingen ontvangen dat verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte ook nog rekening met het feit dat zij relatief jong is en dat het voor haar als buitenlander bovendien zwaarder zou zijn om een straf te moeten uitzitten in de Nederlandse gevangenis.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat het passend en geboden is om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twee weken, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank stelt vast dat verdachte deze gevangenisstraf in het kader van het voorarrest al heeft ondergaan, wat betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter,

en mrs. C.H.W.M. Sterk en W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting op 26 november 2025.

Mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.K.J. van der Wal

Griffier

  • mr. M.R. Tafazzul

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand