ECLI:NL:RBZWB:2026:10464

ECLI:NL:RBZWB:2026:10464

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer 12414055 VV EXPL 26-81 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Executiegeschil. Vordering tot schorsing van de ontruiming afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 12414055 \ VV EXPL 26-81

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2026

in de zaak van

[huurder] ,

te [plaats] ,

eisende partij, procederend met toevoeging met nummer [nummer] ,

hierna te noemen: [huurder] ,

gemachtigde: mr. F.H.J. de Graaf,

tegen

de stichting STICHTING THUISVESTER,

te Oosterhout,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Thuisvester,

gemachtigde: mr. M.C.E. Wirken.

1. De zaak in het kort

In deze zaak vordert [huurder] schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 november 2025 en Thuisvester de ontruiming van de door hem gehuurde woning te verbieden. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7;

- de door Thuisvester overgelegde producties 1 tot en met 5;- de mondelinge behandeling van 13 oktober 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van Thuisvester.

3. De feiten

Vanaf 8 april 2024 huurt [huurder] van Thuisvester de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde of de woning) tegen een maandelijks vooruit te betalen huurprijs.

Eind augustus 2025 had [huurder] een huurachterstand van € 7.502,27 (gelijk aan ruim 11 maanden huur).

Op 26 augustus 2025 heeft Thuisvester [huurder] gedagvaard wegens een huurachterstand en daarbij ook ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd.

Bij vonnis van 26 november 2025 onder zaaknummer 11873854 CV EXPL 25-2937 heeft de kantonrechter de gevorderde huurachterstand toegewezen, de huurovereenkomst ontbonden en de gevorderde ontruiming van het gehuurde toegewezen.

Thuisvester heeft de ontruiming van het gehuurde aangezegd per 14 januari 2026.

[huurder] heeft, bijgestaan door de schuldhulpverleningsorganisatie [organisatie] , aan de rechtbank verzocht om een moratorium als bedoeld in artikel 287b van de Faillissementswet (Fw) in te stellen jegens Thuisvester. Dat verzoek heeft de rechtbank bij vonnis van 2 maart 2026 toegewezen voor de duur van zes maanden door Thuisvester gedurende die periode te verbieden tot ontruiming van het gehuurde over te gaan.

Op 14 september 2026 heeft Thuisvester de ontruiming van het gehuurde opnieuw aan [huurder] aangezegd per 20 oktober 2026.

4. Het geschil

[huurder] vordert:

primair

I. de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 november 2025 te schorsen, althans te bepalen dat de aangekondigde ontruiming van de woning, aangezegd tegen 20 oktober 2026, geen doorgang mag vinden, zolang [huurder] de lopende maandelijkse betaalverplichting tijdig en volledig voldoet en zijn medewerking verleent aan het opgestarte bewindtraject;Thuisvester te verbieden over te gaan tot ontruiming van de woning aan [adres] , zolang [huurder] de lopende maandelijkse betaalverplichting tijdig en volledig voldoet, op straffe van een dwangsom;

subsidiair

II. een zodanig voorziening te treffen als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

primair en subsidiair

III. Thuisvester te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

[huurder] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Thuisvester heeft vanwege de inschakeling van een bewindvoerder door [huurder] geen redelijk te respecteren belang bij ontruiming, terwijl ontruiming grote gevolgen heeft voor [huurder] . De positieve lijn die [huurder] heeft ingezet door het gaan inzetten van bewindvoering, wordt teniet gedaan als ontruiming wordt doorgezet en daarnaast heeft [huurder] de zorg over zijn minderjarige dochter (van 2 jaar).

Thuisvester voert verweer. Thuisvester concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [huurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure.

Thuisvester voert het volgende aan. [huurder] heeft niets ondernomen na het uitgesproken moratorium. Hij bleek geen vast inkomen te hebben en afspraken met [organisatie] is hij niet nagekomen. Er is sprake van een negatieve lijn omdat er na het verstekvonnis weer huur onbetaald is gelaten en [huurder] zelf geen actie onderneemt. Gezien de hoogte van de huurachterstand kan het inschakelen van een bewindvoerder niet aan Thuisvester worden tegengeworpen. Thuisvester wil de woning verhuren aan een woningzoekende die hierop wacht en die verplichtingen wil nakomen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In dit kort geding moet worden beoordeeld of de executie van het inmiddels onherroepelijk geworden verstekvonnis van 26 november 2025 geschorst dient te worden.

In een executiegeschil kan de kantonrechter de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke uitspraak slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Dit betreft voorbeelden van een situatie waarin de partij die bevoegd is een uitspraak ten uitvoer te leggen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen en dan dus haar bevoegdheid misbruikt. Deze maatstaf is na het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) onveranderd gebleven voor uitspraken waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat.

Allereerst is niet gesteld of gebleken dat het verstekvonnis op een juridische of feitelijke misslag berust.

[huurder] stelt dat er bij ontruiming een noodtoestand ontstaat omdat hij dan op straat komt te staan. Hij stelt als omstandigheden die daarbij moeten worden meegewogen het misgelopen traject met [organisatie] dat grotendeels aan [organisatie] is te wijten omdat die geen adequate hulpverlening bood en te laat heeft opgeschaald naar bewindvoering. Daarnaast moet worden meegewogen dat [huurder] bewindvoering wil aanvragen en dat dat traject bij een ontruiming wordt doorkruist. [huurder] stelt de zorg over zijn minderjarige dochter te hebben gedurende twee dagen in de week, welk belang op grond van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) moet worden meegewogen.

Thuisvester betwist dat er sprake is van een noodtoestand bij [huurder] in geval van ontruiming. Volgens Thuisvester is de huurachterstand inmiddels opgelopen naar ruim 16 maanden, heeft [huurder] niets ondernomen tijdens het moratorium en heeft hij niet voldaan aan zijn inspanningsverplichtingen en informatieverplichting jegens [organisatie] . Een ingediend verzoek voor toelating tot de wettelijke schuldsanering is door de rechtbank niet ontvankelijk verklaard omdat [huurder] de benodigde stukken niet heeft aangeleverd bij [organisatie] . Ter onderbouwing daarvan legt Thuisvester een verklaring over van [organisatie] . Daarnaast voert Thuisvester aan dat er diverse signalen zijn dat [huurder] zelf niet in het gehuurde woont. De dochter van [huurder] woont niet bij hem en opvang van zijn dochter tijdens werktijden van de moeder kan ook buiten de woning plaatsvinden.

De kantonrechter overweegt als volgt. De belangen van het kind vormen op grond van artikel 3 van het IVRK een eerste overweging bij alle maatregelen die de kinderen betreffen en het is niet in het belang van het kind om de woning te moeten verlaten. Maar dat betekent niet dat de betrokkenheid van een kind automatisch leidt tot het niet mogen executeren van een ontruimingsvonnis, ook niet als dit een nieuwe omstandigheid is die bij het wijzen van het ontruimingsvonnis nog niet aan de orde was. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen voor zijn dochter. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn dochter ligt bij [huurder] (en de moeder). Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van een kind in de weg staat aan het tenuitvoerleggen van een ontruimingsvonnis. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden.

Vast staat dat de dochter van [huurder] geen hoofdverblijf heeft bij [huurder] , maar [huurder] twee dagen in de week overdag op zijn dochter past. Naar het oordeel van de kantonrechter kan opvang van de dochter van [huurder] tijdens werktijden van de moeder ook op een andere locatie dan in de woning plaatsvinden. Van een acute noodsituatie van de minderjarige dochter is daarom geen sprake. De door [huurder] gestelde omstandigheden dat hij bij ontruiming vervangende woonruimte moet zoeken en een ontruiming het bewindstraject zal bemoeilijken, is inherent aan de ontruiming en is daarom ook onvoldoende om een noodtoestand aan te kunnen nemen.

Thuisvester heeft voorts voldoende onderbouwd dat zij wel degelijk een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de tenuitvoerlegging van de ontruiming. Dit omdat er sprake is van een grote huurachterstand van 16 maanden en [huurder] een lange termijn is gegund om met begeleiding te laten zien dat zijn financiële situatie verbetert, maar daar niet aan heeft voldaan. Uit een verklaring [organisatie] (productie 4 van de zijde van Thuisvester) blijkt (onder meer) dat [huurder] gevraagde stukken niet aan [organisatie] heeft overgelegd en overeenkomsten voor het starten van de schuldregeling ondanks herhaalde verzoeken niet heeft ondertekend. [huurder] stelt wel dat hij correspondentie heeft van [organisatie] waaruit volgens hem niet volgt dat [organisatie] aan hem gevraagd heeft om stukken of ondertekening van overeenkomsten, maar hij heeft die niet overgelegd. Het verweer van Thuisvester dat [huurder] (vrijwel) geen medewerking heeft verleend aan schuldhulpverlening door [organisatie] is daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat [huurder] zijn uiterste best heeft gedaan om zijn financiële situatie te verbeteren is onvoldoende aannemelijk geworden. Door het verleende moratorium van zes maanden heeft [huurder] al een tweede kans gehad en door daar niet aan te voldoen en een nog verder oplopende huurschuld te laten ontstaan, is het belang van Thuisvester bij de ontruiming gegeven.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat Thuisvester een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid door Thuisvester. De (primaire) vorderingen van [huurder] worden dus afgewezen.

[huurder] vordert subsidiair nog dat de kantonrechter in goede justitie een voorziening treft, maar dit is door [huurder] verder niet onderbouwd en de kantonrechter ziet voorts ook geen aanleiding om een voorziening te treffen.

[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Thuisvester worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

Totaal

€

721,00

6. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [huurder] af,

veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 721,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand