ECLI:NL:RBZWB:2026:10465

ECLI:NL:RBZWB:2026:10465

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer 12319318 VV EXPL 26-60 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vordering van werknemer in kort geding tot betaling van wettelijke verhoging wegens onterechte loonopschorting. Vordering is toewijsbaar. Wel reden voor matiging tot 10%.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 12319318 \ VV EXPL 26-60

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij, procederend met toevoeging [nummer] ,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. G.S. de Haas,

tegen

de besloten vennootschap [werkgever] B.V.,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: mr. S. Verheijden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5;

- de namens [werkgever] toegezonden producties 1 tot en met 8;

- de mondelinge behandeling van 23 september 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

- de pleitnota’s van partijen.

De mondelinge behandeling is gezamenlijk gehouden met de procedure van [vader] tegen [werkgever] (zaaknummer 12319631 VV EXPL 26-61).

2. De zaak in het kort

[werknemer] is bij [werkgever] in dienst. [werknemer] is na zijn ziekmelding opgeroepen bij de berdrijfsarts, maar die kon wegens de taalbarrière geen oordeel geven. Bij de nieuwe afspraak met de bedrijfsarts heeft [werkgever] via de gemeente een niet professionele tolk geregeld. [werknemer] heeft bijstand van die tolk geweigerd. Daarmee heeft [werknemer] volgens [werkgever] zonder deugdelijke grond geweigerd mee te werken aan zijn re-integratieverplichtingen en daarom heeft [werkgever] zijn loon opgeschort en hem op 14 april 2026 een schriftelijke waarschuwing gegeven. Nadat [werknemer] bij een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts met een andere tolk verschenen is, heeft [werkgever] het loon aan [werknemer] betaald. [werknemer] vordert in deze procedure (onder meer) wettelijke verhoging wegens onterechte loonopschorting en intrekking van een gegeven waarschuwing van 14 april 2026. De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

3. De feiten

Sinds 14 april 2025 is [werknemer] – die de Oekraïense nationaliteit heeft en in een opvanglocatie in de gemeente Altena verbleef – op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij [werkgever] werkzaam als medewerker expeditie.

Op 26 maart 2026 heeft [werknemer] zich bij [werkgever] ziek gemeld.

De vader van [werknemer] , [vader] (hierna: [vader] ), is ook bij [werkgever] werkzaam en die heeft zich op 6 maart 2026 ziek gemeld.

Om logistieke redenen heeft [werkgever] [werknemer] en [vader] achtereenvolgens opgeroepen voor een afspraak bij de bedrijfsarts op 10 april 2026. Voor die afspraak heeft [werkgever] via de heer [persoon] van de gemeente Altena mevrouw [tolk] (hierna: [tolk] ) als Oekraïens sprekende tolk geregeld. [tolk] is verbonden aan de gemeente Altena als hulpverlener/ begeleider voor Oekraïense bewoners van de opvang.

Bij aanvang van de afspraak bij de bedrijfsarts op 10 april 2026 hebben [werknemer] en [vader] aangegeven zich niet veilig te voelen bij de aanwezigheid van [tolk] als tolk en verzocht om een onafhankelijke tolk. Hierdoor heeft de afspraak bij de bedrijfsarts geen doorgang gevonden.

Bij brieven van 14 april 2026 heeft de gemachtigde van [werkgever] namens [werkgever] aan [werknemer] en [vader] een waarschuwing gegeven voor het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de afspraak bij de bedrijfsarts waardoor niet meegewerkt wordt aan re-integratieverplichtingen. In de brieven is medegedeeld dat de loonbetaling per 14 april 2026 wordt opgeschort en wordt hervat na medewerking aan de volgend in te plannen afspraak bij de bedrijfsarts.

Op 28 mei 2026 heeft er een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts plaatsgevonden waar [werknemer] en [vader] zijn verschenen met een zelf meegebrachte tolk.

Op 3 juni 2026 heeft [werkgever] het achterstallige loon aan [werknemer] en [vader] betaald.

4. Het geschil

[werknemer] vordert – samengevat en na eiswijziging– om [werkgever] :

te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallige loon, primair het maximum van 50% dat neerkomt op € 690,10 althans een door de kantonrechter vast te stellen percentage, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2026 tot de dag van volledige betaling,

te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,21 aan buitengerechtelijke incassokosten,

te gelasten de aan [werknemer] verstrekte officiële waarschuwing van 14 april 2026 in te trekken en [werkgever] te veroordelen de waarschuwing uit het personeelsdossier en uit alle interne registraties te verwijderen en verwijderd te houden;

te verbieden de waarschuwing nog aan [werknemer] tegen te werpen of daarop nog enig gevolg te baseren;

te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

[werknemer] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [werkgever] is ten onterechte tot loonopschorting overgegaan. [werknemer] had bij [tolk] geen gevoel van onafhankelijkheid en heeft daarom niet moedwillig geweigerd om aan re-integratie mee te werken. Wegens de onterechte loonopschorting is het loon niet tijdig betaald en is [werkgever] de wettelijke verhoging van 50% verschuldigd. Voor de gegeven waarschuwing was geen grond. [werknemer] heeft een spoedeisend belang bij de vorderingen omdat hij psychisch arbeidsongeschikt is en last heeft van de onterechte loonopschorting en onterecht gegeven waarschuwing.

[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

[werkgever] voert het volgende aan. Niet valt in te zien waarom [tolk] niet als onafhankelijke tolk kon optreden op 10 april 2026. Vooraf aan het spreekuur was [werknemer] op de hoogte dat [tolk] zou tolken en hij heeft zich daar toen niet tegen verzet. Door de weigering van [werknemer] kon arbeidsongeschiktheid en het recht op loon niet worden vastgesteld. [werkgever] heeft daarom terecht het loon opgeschort. Zolang de opschorting duurde, was het loon niet opeisbaar. [werknemer] heeft daarom geen recht op wettelijke verhoging. Subsidiair wordt verzocht de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De waarschuwing is op 14 april 2026 terecht gegeven. Daarnaast wordt het spoedeisend belang betwist bij de vorderingen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Toetsingskader

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Spoedeisend belang

Voldoende aannemelijk is gemaakt dat [werknemer] een spoedeisend belang heeft bij duidelijkheid over de al dan niet terechte waarschuwing wegens nog lopende re-integratieverplichtingen. Uit proceseconomie zal ook beslist worden op de gevorderde wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Wettelijke verhoging

Voor beantwoording van de vraag of [werknemer] aanspraak heeft op wettelijke verhoging dient beoordeeld te worden of [werkgever] het loon van [werknemer] mocht opschorten wegens het niet doorgegane consult bij de bedrijfsarts op 10 april 2026.

Een werknemer heeft bij arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte de eerste twee jaar in beginsel recht op doorbetaling van (70% van) het loon. In de wet is bepaald dat de werknemer geen recht heeft op loon voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften.

[werknemer] stelt dat hij een deugdelijke grond had om [tolk] als tolk te weigeren omdat zij geen afspraak over geheimhouding kon tonen, hij daardoor twijfels had of hij zijn medische gegevens veilig via haar kon delen, [tolk] veel bevoegdheden heeft en hem uit het land kan zetten.

[werkgever] beroept zich erop dat [werknemer] bij het spreekuur geen deugdelijke grond had om [tolk] als tolk te weigeren omdat [tolk] niet aan haar is verbonden en [werknemer] vooraf op de hoogte was van [tolk] als tolk en daar toen geen bezwaar tegen had.

De kantonrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het aan [werkgever] was om een tolk te regelen voor het consult van [werknemer] bij de bedrijfsarts op 10 april 2026. Omdat [tolk] werkzaam was op de opvanglocatie van [werknemer] , waar hij dagelijks contact mee had, is het begrijpelijk dat er bij [werknemer] een gevoel van ongemak bestond als [tolk] als tolk optrad bij het spreekuur met de bedrijfsarts. Daarnaast was [tolk] geen onafhankelijke en professionele tolk waardoor niet uitgegaan kan worden van objectieve en volledige medische vertaling en een tolk die te alle tijde geheimhouding in acht zou nemen. Dit betekent dat geen sprake is van een situatie dat [werknemer] zonder deugdelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan redelijke voorschriften tot re-integratie. Dat de vader van [werknemer] daags ervoor gesproken had met [tolk] en [werknemer] daardoor mogelijk wist dat [tolk] als tolk zou optreden, neemt niet weg dat [werknemer] (vlak) voor het consult op 10 april 2026 bezwaar mocht maken tegen het optreden van [tolk] als tolk.

[werkgever] voert aan dat de bedrijfsarts de tolk op 10 april 2026 heeft aanvaard waardoor het beroep op medische privacy niet opgaat, maar de kantonrechter volgt [werkgever] niet in dat verweer. Vast staat dat de bedrijfsarts op 10 april 2026 heeft bepaald dat er wegens het door [werknemer] weigeren van [tolk] als tolk een nieuwe afspraak moest worden gemaakt. Daarnaast was [tolk] geen professionele tolk en zij had daarom geen wettelijke geheimhoudingsplicht.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat in hoge mate aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de door [werkgever] gedane loonopschorting onterecht is. Daarmee is ook in hoge mate aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld wordt dat [werkgever] wegens te late betaling van het loon, dat haar is toe te rekenen, de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW verschuldigd is. De wettelijke verhoging zal gelet op de omstandigheden gematigd worden tot 10%. Dit betekent dat een bedrag toewijsbaar is van € 69,01 bruto.

[werknemer] vordert wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 30 april 2026, maar op dat moment was de wettelijke verhoging nog niet gaan lopen. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het bedrag van € 69,01 bruto zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarden (27 juli 2026).

Waarschuwing

[werknemer] vordert 1.) intrekking van de waarschuwing van 14 april 2026, 2.) verwijdering daarvan uit het personeelsdossier en uit alle interne registraties en 3.) een verbod de waarschuwing nog aan hem tegen te werpen. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel over het mogen weigeren van de tolk op 10 april 2026 is de gegeven waarschuwing van 14 april 2026 wegens het niet meewerken aan het spreekuur van de bedrijfsarts onterecht gegeven.

[werkgever] voert terecht aan dat de vordering tot intrekking van de waarschuwing onomkeerbaar is. De kantonrechter kan in kort geding geen rechtstoestand definitief vaststellen. De kantonrechter zal als mindere vordering de waarschuwing van 14 april 2026 schorsen totdat daarover in een bodemprocedure anders is geoordeeld.

De vorderingen van [werknemer] tot verwijdering van de waarschuwing uit het personeelsdossier en het verbod de waarschuwing aan hem tegen te werpen worden afgewezen. De schorsing van de waarschuwing van 14 april 2026 heeft tot gevolg dat de waarschuwing geen werking heeft en [werkgever] hierop geen beroep kan doen. Gelet daarop valt niet in te zien welk belang [werknemer] heeft bij de vorderingen tot verwijdering uit het personeelsdossier en het niet mogen tegenwerpen van de waarschuwing, die overigens een definitief karakter hebben.

Buitengerechtelijke incassokosten

[werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Voor de beoordeling van de vraag of buitengerechtelijke kosten kunnen worden toegewezen is het niet van belang of [werknemer] met een toevoeging procedeert. De vraag of [werknemer] recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beantwoord aan de hand van de eisen zoals geformuleerd in het Rapport Voorwerk 2 en bijgesteld in het Rapport BGK-integraal. [werknemer] stelt in de dagvaarding dat hij zijn gemachtigde heeft ingeschakeld, die zijn rechtspositie heeft onderzocht en herhaaldelijk doorbetaling van het loon heeft gevorderd. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van de procedure en instructie van de zaak. Daarom zullen de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Proceskosten

[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

Totaal

€

814,00

De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 69,01 bruto aan wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 27 juli 2026 (de dag van dagvaarden) tot de dag van volledige betaling,

schorst de door [werkgever] bij brief van 14 april 2026 verstrekte officiële waarschuwing totdat daarover in een bodemprocedure anders is geoordeeld,

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand