Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-223523-25
Parketnummer TUL: 02-264532-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2026
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats],
raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel dat hij die [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of dat heeft geprobeerd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak voor het ten laste gelegde feit. Subsidiair refereert zij zich ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op 14 augustus 2025 vond er, naar aanleiding van een eerdere verkeersruzie, een schermutseling plaats tussen verdachte, aangever [slachtoffer] en zijn partner, aangeefster [aangeefster]. Een deel van deze schermutseling (van 18.53.50 tot 18.54.02 uur) is vastgelegd op camerabeelden. [slachtoffer] heeft vervolgens om 18.54.41 uur 112 gebeld en verklaard dat hij rechts onder zijn ribben was gestoken met een mes. Om 19.05 uur is de ambulance ter plaatse gekomen. Uit de ritgegevens van de ambulance blijkt dat [slachtoffer] toen een steekwond onder zijn rechter ribben had. Verdachte erkent dat hij met [slachtoffer] en [aangeefster] in een schermutseling is geraakt, maar ontkent dat hij [slachtoffer] heeft gestoken.
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij niet weet op welk moment hij precies is gestoken, door wie hij is gestoken en dat hij tijdens de schermutseling geen mes heeft gezien. [aangeefster] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte een stanleymes uit zijn broekzak haalde en dat verdachte een aantal keer lomp met het mes zwaaide alsof hij in een zwaardgevecht was. Daarop zou [aangeefster], zo verklaart zij meermalen, hebben geroepen “Ga je ons nu echt neersteken?” zodat [slachtoffer] zou horen dat verdachte een mes had.
De rechtbank heeft de camerabeelden bekeken en waargenomen dat de verklaring van [aangeefster] op twee cruciale punten een discrepantie toont met de camerabeelden. Zo is op de camerabeelden te horen dat [aangeefster] naar verdachte roept: “Hé maat, ik steek jou zometeen neer hè”. De rechtbank heeft op geen moment gehoord dat [aangeefster] zou hebben gezegd ‘Ga je ons nu echt neersteken?’. Daarnaast blijkt het ‘lomp zwaaien met een mes alsof verdachte in een zwaardgevecht was’ niet uit de camerabeelden en is dat ook door niemand anders benoemd of beschreven. Uit het dossier blijkt ook niet van het aantreffen na de schermutseling (bij verdachte) van een mes of ander steekwapen. De rechtbank zou de verklaring van [aangeefster] wel kunnen aanwenden als wettig bewijsmiddel, maar gelet op de discrepanties in haar verklaring mist de rechtbank de overtuiging om deze verklaring te volgen.
De rechtbank constateert dat zij niet kan vaststellen wat er precies is gebeurd, hoe en door wie. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank zowel het primair, het subsidiair als het meer subsidiair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.
5. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 6.127,99, waarvan € 962,99 aan materiële schade en € 5.165,- aan immateriële schade.
Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 oktober 2023 ten uitvoer zal worden gelegd.
Nu verdachte wordt vrijgesproken, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.
7. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is vervroegd uitgesproken ter openbare zitting op 30 april 2026.
Mrs. Skalonjic, Van Bree en Van Spelde zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft geprikt en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Roosendaal aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of het (boven)lichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft geprikt en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )