Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-000198-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J.J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 31 december 2025:
feit 1: een fatbike heeft gestolen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer] ;
feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan het niet opvolgen van een ambtelijk gegeven bevel.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 27 augustus 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 31 december 2025, pagina 5 tot en met 7 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025349618;
- het proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 2 januari 2026, pagina 10 en 11 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025349618;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 6 januari 2026, pagina 26 en 27 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025349618.
feit 2
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 27 augustus 2026;
- het proces-verbaal gebruik middelen bij geweldsdelicten d.d. 31 december 2025, pagina 29 en 30 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025349618.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 31 december 2025 te Middelburg een fatbike die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- die [slachtoffer] stevig rondom zijn nek te pakken, en
- ( vervolgens) voor die [slachtoffer] te staan en (meermalen) een opengeklapt mes te tonen en te richten in zijn, [slachtoffer] ’s, richting, en
- voornoemde fatbike te pakken en daarmee vervolgens weg te fietsen;
feit 2
op 31 december 2025 te Middelburg opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten [persoon], belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht of een ademanalyse, hieraan geen gevolg te geven.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 340 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 170 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft verbleven, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met een taakstraf van maximale duur en daarnaast een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met (bedreiging met) geweld. Aangever, zijnde een 14-jarige jongen, is door verdachte vastgepakt en bedreigd met een mes. Vervolgens is verdachte, met medeneming van de fatbike van aangever, er vandoor gegaan. Door verdachte is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Dergelijke straatroven zijn zeer ernstig en veroorzaken sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij de slachtoffers in het bijzonder. Verdachte verklaart dat hij die dag een terugval had in alcoholgebruik en dat hij de fatbike van aangever, onder die omstandigheden, ten onrechte heeft aangezien voor zijn eigen fatbike. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte - onder invloed van alcohol - zo agressief heeft gereageerd. Daarnaast heeft verdachte geweigerd te voldoen aan een bevel van een opsporingsambtenaar. Verdachte laat hiermee zien geen respect te hebben voor de autoriteit van de politie.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 13 juli 2026. Hieruit volgt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, ook voor geweldpleging. Dit is echter al geruime tijd geleden.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de rapporten van de reclassering van respectievelijk 26 maart 2026 en 31 juli 2026. Verdachte kampt reeds meerdere jaren met problematisch alcoholgebruik, waarvoor hij tot eind 2025 vijf weken (vrijwillig) een klinische verslavingsbehandeling onderging. Van een delictpatroon op het gebied van gewelds- of vermogensdelicten is geen sprake. De reclassering constateert stabiliteit op de praktische leefgebieden. Verdachte is in februari 2026 gestart met behandeling van zijn verslavingsproblematiek en houdt zich aan de behandelafspraken. Gelet op het lage herhalingsgevaar adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering acht een gevangenisstraf niet wenselijk, omdat oplegging daarvan de lopende behandeling van verdachte mogelijk zou kunnen doorkruisen.
De straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De duur van de gevorderde taakstraf past weliswaar bij de aard en ernst van de feiten, maar doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank vindt het positief dat verdachte werk heeft en op eigen initiatief hulp heeft gezocht voor de problemen die daaraan ten grondslag lijken te liggen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte, die zich zeer schuldbewust heeft getoond en heeft geprobeerd contact te zoeken met aangever. Voorts lijkt sprake te zijn van een eenmalig incident. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de eis van de officier van justitie.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van het voorarrest moet worden opgelegd. Met deze straf wordt recht gedaan aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. De rechtbank ziet in het lage recidiverisico geen aanleiding om naast de taakstraf nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 184 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
feit 2: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag, zodat na aftrek 236 (tweehonderdzesendertig) uren te verrichten taakstaf resteert;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. J. Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 september 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 31 december 2025 te Middelburg
een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] stevig rondom zijn nek te pakken, en/of
- ( vervolgens) voor die [slachtoffer] te staan en (meermalen) een opengeklapt mes, in
ieder geval een scherp/puntig voorwerp, te tonen en/of te richten in zijn,
[slachtoffer] ’s, richting, en/of
- voornoemde fatbike te pakken en/of daarmee vervolgens weg te fietsen;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 31 december 2025 te Middelburg
opzettelijk
niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk
voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering,
gedaan door een ambtenaar, te weten, [persoon], belast met de uitoefening van enig
toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of
onderzoeken van strafbare feiten,
door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem
had gevorderd medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht
en/of een ademanalyse, hieraan geen gevolg te geven;
(art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht)