[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 december 2021.
De inspecteur heeft een boete opgelegd van € 68 (de boete).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [persoon] , en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank dient de boete vernietigd te worden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. De inspecteur heeft een ambtshalve naheffingsaanslag omzetbelasting (de naheffingsaanslag) aan belanghebbende opgelegd. Tevens heeft de inspecteur een betaalverzuimboete (de betaalverzuimboete) en een aangifteverzuimboete (de boete) opgelegd.
Belanghebbende heeft een nihilaangifte omzetbelasting ingediend. Naar aanleiding daarvan zijn de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete ambtshalve vernietigd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de boete van € 68. Het bezwaar is ontvangen op 16 september 2021 en ongegrond verklaard.
Motivering
Is het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel) en kort gezegd (onbetwist) gesteld dat hij voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag en de boetes niet in de gelegenheid is gesteld op daarop te reageren.
De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat bij het opleggen van een verzuimboete geen vooraankondiging wordt gestuurd omdat het systeem van de Belastingdienst daarop niet is ingericht. Daarnaast heeft de Belastingdienst onvoldoende middelen om het proces alsnog anders in te richten, aldus de inspecteur. Ook kan een dergelijke wijziging van het systeem volgens de inspecteur redelijkerwijs niet verwacht worden omdat dit te belastend zou zijn.
Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie een bepaald besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Vast staat dat belanghebbende voorafgaand aan de oplegging van boetebeschikking niet in gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Dit brengt mee dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden is tenzij hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd (zie 4.4) vormt naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond voor de schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Immers, de beperkingen van de systemen van de Belastingdienst kunnen naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende in beginsel niet worden tegengeworpen.
De schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere uitkomst zou kunnen hebben gehad. Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kon worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Nu zowel de naheffingsaanslag als de betaalverzuimboete vernietigd zijn, kan niet geoordeeld worden dat een andere afloop niet mogelijk was. Dit brengt mee dat de boete vernietigd dient te worden.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Belanghebbende heeft op 7 juni 2026 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn in beginsel twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen op 16 september 2021. De rechtbank doet uitspraak op 30 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 36 maanden overschreden. Aangezien het verzoek om een immateriële schadevergoeding is gedaan na 14 juni 2024 en het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt, ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Tevens heeft belanghebbende recht op een compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting die niet kan worden verleend door vernietiging van de boete. Aangezien de boete minder dan € 1.000 bedroeg en belanghebbende verzocht heeft om een vergoeding van immateriële schade, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De rechtbank heeft in dit geval een factor 0,5 toegepast voor de zwaarte van de zaak. De rechtbank is van oordeel dat de zaak van licht gewicht is. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de boetebeschikking;
- wijst het verzoek om vergoeding om immateriële schadevergoeding af;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 10 september 2026.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.