[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de volgende uitspraken op bezwaar van de inspecteur.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verhoging van de motorrijtuigenbelasting met fijnstoftoeslag over de onder 1 genoemde tijdvakken.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [persoon 1] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende had in de onderhavige tijdvakken een en/of-bankrekening met haar partner, [persoon] (de partner).
In de onderhavige tijdvakken was de partner houder van het motorrijtuig met kenteken [kenteken] (het voertuig).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verhoging van de motorrijtuigenbelasting met fijnstoftoeslag over de onder 1 genoemde tijdvakken, welke betalingen middels een automatische incasso voldaan zijn middels de en/of-bankrekening.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de inspecteur kan belanghebbende geen bezwaar maken tegen de betaling omdat zij niet de houder is van het voertuig.
Motivering
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Belanghebbende is van mening dat de bezwaarschriften – nu de betalingen zijn gedaan middels de en/of-bankrekening – ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Vast staat dat het voertuig in de onderhavige tijdvakken op de naam van de partner van belanghebbende stond. Belanghebbende was niet de persoon op wie de betalingsverplichting rustte. Dat de betalingen hebben plaatsgevonden van een bankrekening die tevens op naam van belanghebbende stond, maakt niet dat voor belanghebbende een rechtens afdwingbare betalingsverplichting is ontstaan. Dit brengt mee dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
Belanghebbende heeft op 4 juni 2026 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn in beginsel twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het oudste bezwaarschrift heeft ontvangen op 26 augustus 2020. De rechtbank doet uitspraak op 10 september 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 49 maanden overschreden Aangezien het verzoek om een immateriële schadevergoeding is gedaan na 14 juni 2024 en het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt, ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Conclusie en gevolgen
5. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 10 september 2026.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.