RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaken tussen
de burgemeester van de gemeente Tilburg, de burgemeester
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/4916 en 26/4918
1. [verzoeker 1]uit [plaats] ,
2. [verzoeker 2] , uit [plaats] ,
3. [verzoeker 3] , uit [plaats] ,
4. [verzoeker 4], uit [plaats] ,
5. [verzoeker 5], uit [plaats] ,
6. [verzoeker 6] , uit [plaats] ,
7. [verzoeker 7], uit [plaats] ,
8. [verzoeker 8], uit [plaats] ,
9. [verzoeker 9], uit [plaats] ,
10. [verzoeker 10] B.V., uit [plaats] ,
11. [verzoeker 11], uit [plaats] ,
12. [verzoeker 12], uit [plaats] ,
13. [verzoeker 13], uit [plaats] ,
14. [verzoeker 14], uit [plaats] ,
15. [verzoeker 15], uit [plaats] ,
16. [verzoeker 16], uit [plaats] ,
17. [verzoeker 17], uit [plaats] ,
18. [verzoeker 18] BV, uit [plaats]
19. [verzoeker 19], uit [plaats] ,
20. [verzoeker 20], uit [plaats] ,
21. [verzoeker 21], uit [plaats] ,
22. [verzoeker 22], uit [plaats] ,
hierna tezamen verzoekers,
(gemachtigde: mr. K.J. Breedijk),
en
(gemachtigde: mr. M.A. Wouters).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghoudster] BV uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman).
1. Deze uitspraak ziet op twee verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het eerste verzoek – bekend onder zaaknummer 26/4916 – ziet op een verleende exploitatievergunning. Het tweede verzoek – bekend onder zaaknummer 26/4918 – ziet op een verleende Alcoholwetvergunning. Verzoekers zijn het niet eens met de verlening van deze vergunningen. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om één van de of beide bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij onder meer aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft voor haar inrichting aan het [adres] te [plaats] een aanvraag voor een exploitatievergunning én een aanvraag voor een vergunning op grond van de Alcoholwet ingediend. De burgemeester heeft deze vergunningen met de bestreden besluiten van 15 juli 2026 verleend. Verzoekers hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers met [persoon 1] , [verzoeker 17] , [persoon 2] en [verzoeker 22] , de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van vergunninghoudster met mr. T.G.A.A. van de Boomen en [persoon 3] .
Gemachtigde van verzoekers heeft op de zitting medegedeeld dat hij optreedt namens nog meer verzoekers dan degenen die al in een bijlage bij het verzoekschrift waren benoemd. Op aangeven van de voorzieningenrechter heeft hij die, omdat er onder de al genoemde verzoekers wel een aantal zouden zijn die belanghebbend zijn, niet alsnog benoemd. Wel heeft hij door toevoeging van de machtiging van [verzoeker 22] , het verzoek in zoverre aangevuld dat hij ook namens hem optreedt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van de exploitatievergunning (26/4916)
3. Op 12 november 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om exploitatievergunning ingediend voor de inrichting aan het [adres] in [plaats] .
Bij besluit van 15 juli 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester onder voorwaarden de gevraagde exploitatievergunning verleend.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Vergunninghoudster heeft ook bezwaar gemaakt vanwege de aan de vergunning verleende voorschriften.
Totstandkoming van de Alcoholwetvergunning (26/4918)
4. Op 13 november 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een Alcoholwetvergunning.
Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de burgemeester aan vergunninghoudster een vergunning op grond van de Alcoholwet.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de bezwaarprocedure niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit of de besluiten te herstellen (onomkeerbaarheid).
Verzoekers hebben aangevoerd dat zij overlast zullen ondervinden van de exploitatie van de inrichting nu de daarvoor benodigde vergunningen zijn verleend.
Aangezien niet onaannemelijk is dat exploitatie van een horeca-inrichting overlast kan veroorzaken en dat voldoende aannemelijk is geworden dat die overlast bij de vorige exploitant ook optrad, neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoekers bij het verzoek met zaaknummer 26/4916 een spoedeisend belang hebben.
Voor wat betreft het verzoek dat ziet op de Alcoholwetvergunning (zaaknummer 26/4918) ligt dit anders. Daar ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang voor verzoekers omdat de door hen aangevoerde overlast voortvloeit uit de verleende exploitatievergunning. Desgevraagd, kon de gemachtigde van verzoekers niet aangeven welk zelfstandig spoedeisend belang zij zouden hebben bij (schorsing van) de Alcoholwetvergunning. Dit verzoek zal de voorzieningenrechter wegens het ontbreken van spoedeisend belang afwijzen.
Exploitatievergunning voor de inrichting [adres] te [plaats]
Zijn verzoekers belanghebbende bij de exploitatievergunning?
7. Allereerst ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of verzoekers belanghebbend zijn bij de exploitatievergunning. Hoewel hij twijfels heeft of alle verzoekers als belanghebbende zijn aan te merken, zal hij – omdat de direct omwonenden onder de verzoekers in ieder geval belanghebbende zijn – het verzoek inhoudelijk beoordelen. Voor zover nodig is het aan de burgemeester om in de bezwaarprocedure nader te beoordelen wie van de bezwaarmakers wel of geen direct belanghebbenden zijn.
Waarop ziet het verzoek om voorlopige voorziening?
8. Verzoekers hebben samengevat aangevoerd dat de exploitatievergunning geschorst moet worden omdat daaraan gebreken kleven. Er is geen maximum aantal bezoekers per evenement opgenomen, er is geen verplicht beveiligingsplan en er had vooraf een akoestisch rapport geëist moeten worden in plaats van twee maanden na verlening van de vergunning.
De voorzieningenrechter benadrukt dat uit het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan [plaats] volgt dat op de locatie [adres] te [plaats] horeca tot en met horecacategorie 2 is toegestaan. Uit de planregels blijkt dat hieronder ook een partycentrum (zalencentrum) met een netto vloeroppervlak van maximaal 500 m² wordt verstaan. De inrichting aan het [adres] voldoet hieraan. De vragen of dit een geschikte locatie is voor een zalencentrum en of voldoende rekening is gehouden met de gevolgen van een zalencentrum op deze locatie – bijvoorbeeld waar het gaat om parkeren – horen dan ook niet thuis in deze procedure die ziet op de verlening van een exploitatievergunning.
Verder wijst de voorzieningenrechter erop dat als overlast wordt gevreesd van activiteiten die in strijd zijn met de voorschriften die aan de exploitatievergunning zijn verbonden, die vrees op zichzelf geen reden hoeft te zijn om de vergunning te weigeren. Volgens vaste rechtspraak mag ervan uit worden gegaan dat de voorschriften worden nageleefd en – als dat niet zo is – dat tegen overtreding wordt opgetreden.
Moet een maximum aantal bezoekers per bijeenkomst in de exploitatievergunning worden opgenomen?
Verzoekers hebben aangevoerd dat in de exploitatievergunning ten onrechte geen maximaal aantal bezoekers per bijeenkomst is opgenomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het ondernemingsplan – dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag om exploitatievergunning – volgt dat de achterste zaal ruimte biedt aan maximaal 120 bezoekers. Op de website en ter zitting heeft vergunninghoudster aangegeven dat de voorste kleine zaal (voormalige cafégedeelte) ruimte biedt aan maximaal 60 personen. Daarmee is het bezoekersaantal voldoende gemaximaliseerd en de voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om de exploitatievergunning te schorsen.
Had een beveiligingsplan onderdeel moeten uitmaken van de aanvraag?
Verzoekers hebben aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte vergunninghoudster niet heeft gevraagd om bij de aanvraag een beveiligingsplan te overleggen. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat zij bij dit soort ondernemingen in het algemeen en in deze zaak ook nog gelet op het overgelegde ondernemersplan, geen aanleiding zag om al bij de aanvraag een beveiligingsplan te eisen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat de burgemeester hierover anders moest oordelen. Dat er in het verleden incidenten zijn geweest en dat er in de nabijheid van de inrichting enkele incidenten hebben plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat deze incidenten onlosmakelijk zijn verbonden met de wijze van exploitatie van de inrichting.
Had een akoestisch rapport onderdeel moeten uitmaken van de aanvraag?
Verzoekers hebben aangevoerd dat de burgemeester bij de aanvraag een akoestisch rapport had moeten eisen om te beoordelen of de inrichting aan de geluidnormen kan voldoen. Dat een geluidsonderzoek achteraf – uiterlijk twee maanden na het verlenen van de exploitatievergunning – ingediend mocht worden, is een inschatting van de burgemeester. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te oordelen dat de burgemeester deze inschatting niet had mogen maken. In het ondernemingsplan is aangegeven dat geluidsisolerende maatregelen zijn getroffen en dat binnen de inrichting een verzegelde geluidsbegrenzer aanwezig is. Dat ook bij recente feesten in de inrichting nog overlast is ervaren, zoals [verzoeker 17] ter zitting heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eventuele overtredingen van geldende geluidsnormen kunnen via handhavend optreden worden bestreden.
Ten overvloede stelt de voorzieningenrechter vast dat op het moment van de zitting de termijn voor het indienen van zo’n rapport achteraf nog 5 dagen was. Partijen zijn er ter zitting op gewezen dat het verstandig kan zijn om het inregelen van de geluidsbegrenzer door een deskundige te laten doen en daarbij metingen te (laten) doen in de meest geluidsgevoelige ruimtes in de nabijgelegen woningen, waaronder de woning van [verzoeker 17] , wier woonkamer, zo begrijpt de voorzieningenrechter, is vast gebouwd aan de feestzaal van de inrichting.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier op 15 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage wettelijk kader
Algemene plaatselijke verordening Tilburg 2026
Artikel 2, eerste lid, bepaalt dat een vergunning of ontheffing in ieder geval kan worden geweigerd in het belang van:
Artikel 3, eerste lid, bepaalt dat aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Artikel 38, eerste lid bepaalt dat het de exploitant verboden is om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
Artikel 38, tweede lid, bepaalt dat de burgemeester aan de vergunning voorschriften kan verbinden.
Artikel 41, eerste lid, bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 kan weigeren, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan.
Artikel 41, tweede lid, bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk kan weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
Artikel 41, derde lid, bepaalt dat bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond de burgemeester rekening houdt met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.