ECLI:NL:RVS:2023:3489

ECLI:NL:RVS:2023:3489, Raad van State, 14-09-2023, 202300438/1/V2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202300438/1/V2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:347
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 3 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0045754 CELEX:32000X1218 CELEX:32003R0343 CELEX:32013R0604 EU:32000X1218 EU:32003R0343 EU:32013R0604

Samenvatting

Bij besluit van 25 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Uitspraak

202300438/1/V2.

Datum uitspraak: 14 september 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 januari 2023 in zaak nr. NL22.14343 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 13 januari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2023, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, zijn verschenen.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De vreemdeling heeft een nadere reactie ingediend.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening daar verantwoordelijk voor was. Nadat de vreemdeling hoger beroep had ingesteld in deze zaak, heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij de asielaanvraag alsnog zelf in behandeling neemt, omdat de termijn die de Dublinverordening stelt om de vreemdeling over te dragen aan Duitsland is verstreken. De vreemdeling heeft in zijn nadere reactie meegedeeld dat hij zijn hoger beroep handhaaft, omdat zijn verblijfsvergunning asiel een eerdere ingangsdatum zou krijgen als zijn hoger beroep gegrond wordt verklaard en zijn asielaanvraag wordt ingewilligd.

2. Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk, omdat hij onvoldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Hij heeft namelijk al bereikt wat hij met zijn hoger beroep beoogt, doordat de staatssecretaris zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. Gelet hierop kan de vreemdeling persoonlijk ook geen procesbelang ontlenen aan zijn betoog - wat daar ook van zij - dat er zaaksoverstijgend belang is bij de beantwoording van de in zijn zaak voorliggende rechtsvraag.

2.1. De vreemdeling voert ook tevergeefs aan dat een eventueel te verlenen verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum zou kunnen worden verstrekt. Die eventuele vergunningverlening is immers een onzekere toekomstige gebeurtenis (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 1.3). Bovendien kan de vreemdeling, als aan hem een verblijfsvergunning asiel wordt verleend, een klacht over de ingangsdatum daarvan aanvoeren in een aparte procedure tegen dat besluit. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2390, onder 2. Aan die eventuele omstandigheid kan hij in deze Dublinprocedure dus geen procesbelang ontlenen.

3. Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden. Dat is in deze zaak gebeurd. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag van de vreemdeling wegens het verstrijken van de overdrachtstermijn is namelijk een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit van 25 juli 2022 nog niet voordeed (zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084, onder 1.2). Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Lagaaij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2023

936

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand