ECLI:NL:RVS:2025:4198

ECLI:NL:RVS:2025:4198, Raad van State, 03-09-2025, 202408045/1/V1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-09-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202408045/1/V1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Y.G.F.M. Coenders, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.

Uitspraak

202408045/1/V1.

Datum uitspraak: 3 september 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 december 2024 in zaak nr. NL24.32404 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Y.G.F.M. Coenders, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Hoger beroep

1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op haar aanvraag van 1 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 11 juli 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van haar procedure bereikt. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van haar hoger beroep.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Dit heeft geen invloed op de vraag of appellant haar proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 11 juli 2025 de aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Appellant heeft die aanvraag op 1 oktober 2023 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het gaat om een punt voor het hogerberoepschrift. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

Het besluit van 11 juli 2025

4. De minister is in het besluit van 11 juli 2025 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft in een reactie op het besluit laten weten zich niet te kunnen verenigen met de hoogte van de dwangsom die de minister in het besluit heeft vastgesteld. Gelet hierop wordt, op grond van artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, het besluit van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5. De minister heeft in het besluit de hoogte van de rechterlijke dwangsom vastgesteld op € 1.000,00 op grond van de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2025 op een opvolgend beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Die uitspraak heeft kracht van gewijsde verkregen. Appellant heeft niet betwist dat de minister op grond van die uitspraak de hoogte van de dwangsom correct heeft vastgesteld.

6. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juli 2025, V-[…] en V-[…], ongegrond;

III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hanrath

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025

392

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand