ECLI:NL:RVS:2025:4453

ECLI:NL:RVS:2025:4453, Raad van State, 18-09-2025, 202504624/1/V2 en 202504624/2/V2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-09-2025
Datum publicatie 24-09-2025
Zaaknummer 202504624/1/V2 en 202504624/2/V2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:13063
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202504624/1/V2 en 202504624/2/V2.

Datum uitspraak: 18 september 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 juli 2025 in zaak nr. NL24.3183 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Voorburg, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. Wat appellant in de grieven 1, 3 en 4 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Appellant klaagt in grief 2 terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door haar gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een relatie heeft gehad met haar ex-vriend, maar dat de minister zich desondanks op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant haar problemen met haar ex-vriend onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank hierin een gebrek heeft geconstateerd, maar aanleiding heeft gezien om dat gebrek te passeren. Hiermee heeft de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toegepast. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd, had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4013. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister tot vergoeding van de bij appellant opgekomen proceskosten te veroordelen, en bevestigt de uitspraak voor het overige. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 juli 2025 in zaak nr. NL24.3183, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;

III. bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV. wijst het verzoek af;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.

w.g. De Poorter

voorzieningenrechter

w.g. Huizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2025

987

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.A. Huizer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand