ECLI:NL:RVS:2025:5659

ECLI:NL:RVS:2025:5659, Raad van State, 21-11-2025, 202501187/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-11-2025
Datum publicatie 26-11-2025
Zaaknummer 202501187/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Uitspraak

202501187/1/V3.

Datum uitspraak: 21 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.6020 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door T. de Boer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS) geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.

1.1. Betrokkene verzoekt de Afdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting prejudiciële vragen te stellen over wat er moet worden verstaan onder een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van de Opvangrichtlijn.

De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 26 februari 2025 uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om hierover prejudiciële vragen te stellen. Volledigheidshalve wijst de Afdeling daarnaast op de gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4570.

1.2. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

3. Betrokkene voert aan dat hij gedurende zijn grensdetentie van 29 januari 2025 tot en met 9 februari 2025 op de tweede verdieping van het JCS verbleef, waar hij meer uren per dag in zijn cel werd ingesloten dan vreemdelingen die daar op de eerste verdieping waren gedetineerd. Dit is volgens hem in strijd met artikel 14, gelezen samen met artikel 5 van het EVRM.

3.1. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 29 januari 2025 geoordeeld dat de omstandigheden waaronder betrokkene in het JCS heeft verbleven, niet maken dat het JCS geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is. Verder heeft zij in die uitspraak, onder 4.4.2, geoordeeld dat de bevoegdheid van de bestuursrechter om detentieomstandigheden te toetsen, niet verder strekt dan de beoordeling of de detentie plaatsvindt in een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie.

3.2. Alleen al daarom slaagt de beroepsgrond niet.

4. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.6020;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025

1020

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.R. Kraak

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand