ECLI:NL:RVS:2026:5440

ECLI:NL:RVS:2026:5440

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 202407963/1/V2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 6 september 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

202407963/1/V2.

Datum uitspraak: 14 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4], [appellant 5] en [appellant 6],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.35653 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Appellanten vormen een gezin en komen uit Syrië. De minister heeft tijdens de behandeling van hun asielaanvragen vastgesteld dat zij in 2014 de internationale beschermingsstatus in Hongarije hebben gekregen. In 2024 hebben appellanten in Nederland asiel aangevraagd, omdat volgens hen de situatie in Hongarije zo slecht is dat zij zich daar niet meer staande kunnen houden. De minister heeft de aanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij al in een andere lidstaat internationale bescherming hebben (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Volgens de minister mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan worden uitgegaan dat Hongarije zijn internationale verplichtingen jegens appellanten nakomt. Ook vindt de minister dat appellanten niet bijzonder kwetsbaar zijn als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219. De rechtbank heeft de minister gevolgd in deze standpunten.

Grieven

2. Wat appellanten in hun derde grief aanvoeren, gericht tegen het oordeel dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat niet alle leden van het gezin internationale bescherming hebben gekregen,

leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3. In de eerste en tweede grief, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking, richten appellanten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de situatie in Hongarije niet zodanig ernstig is dat niet langer het vermoeden geldt dat Hongarije zijn internationale verplichtingen nakomt, en tegen het oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar zijn.

3.1. Bij uitspraak van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1781, heeft de Afdeling de algemene situatie voor statushouders in Hongarije beoordeeld. Uit deze uitspraak volgt dat, hoewel er sprake is van ernstige moeilijkheden voor statushouders om toegang tot voorzieningen te krijgen en de Hongaarse autoriteiten hen daar ook actief bij tegenwerken, er onvoldoende indicaties zijn dat statushouders structureel terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Daarom is het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en het vermoeden dat Hongarije zijn internationale verplichtingen nakomt, nog steeds van toepassing. De minister mag daarom in beginsel verlangen dat statushouders in Hongarije daar hun rechten effectueren. Wel moeten de verschillende moeilijkheden voor statushouders om effectief toegang tot voorzieningen te krijgen, zoals die naar voren komen uit de algemene situatie, meegenomen worden in de beoordeling of een individuele statushouder in Hongarije als gevolg van zijn bijzondere kwetsbaarheid terecht zal komen in een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim. Hierbij is in het bijzonder van belang dat de ondersteuning voor statushouders geheel is overgelaten aan maatschappelijke en kerkelijke instellingen (ngo’s). Deze ngo’s hebben slechts beperkte capaciteit om statushouders te ondersteunen. Daarom zal een minder zelfredzame statushouder die herhaaldelijk en tevergeefs heeft geprobeerd om de hulp in te schakelen van ngo’s om effectieve toegang tot basisvoorzieningen te krijgen, eerder aannemelijk kunnen maken dat die statushouder bij terugkeer naar Hongarije buiten zijn wil en eigen keuzes om in een situatie terecht zal komen van verregaande materiële deprivatie.

3.2. Voor zover appellanten dus aanvoeren dat in algemene zin niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, faalt hun betoog. Zij voeren echter terecht aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen niet mogelijk is gebleken om zich zelfstandig staande te houden. Daarvoor is doorslaggevend dat zij zich eerder alleen hebben weten te handhaven in Hongarije met steun van een familienetwerk, en dat zij, nadat die steun effectief is weggevallen, zich op verschillende wijzen hebben ingespannen om met hulp van de overheid toegang te krijgen tot essentiële voorzieningen, maar dat geen effect heeft gesorteerd. Zij hebben daarnaast ook tevergeefs geprobeerd om contact te leggen met ngo’s die belast zijn met de ondersteuning van statushouders. Bezien tegen de achtergrond van hun persoonlijke omstandigheden en de algemene situatie voor statushouders in Hongarije, hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als bijzonder kwetsbaar gelden. De Afdeling licht dit hieronder nader toe.

3.3. Appellanten hebben zich gedurende een aantal jaren weten te redden in Hongarije, omdat zij kosteloos konden inwonen bij familieleden: eerst achtereenvolgens bij de broers van de vader van het gezin, daarna bij diens zus. Dit was echter niet meer mogelijk toen de broers een eigen gezin kregen, en de zus huur vroeg die appellanten niet konden betalen. Een ander huurhuis konden zij zich evenmin veroorloven. Appellanten zijn hierdoor op straat terechtgekomen. Verder lijdt de vader van het gezin aan een aandoening waardoor hij hevige pijn ervaart. Hij is hiervoor tweemaal geopereerd in Hongarije, maar de klachten blijven aanwezig. Vanwege de revalidatie na zijn operaties en de aanhoudende pijn heeft hij niet meer kunnen werken. De moeder van het gezin heeft verklaard dat zij niet aan werk kon komen in Hongarije, vanwege racisme. Ook de kinderen hebben racisme en discriminatie op school ervaren, en klachten die zij daarover indienden bij de school werden niet serieus genomen.

3.4. De minister heeft deze verschillende persoonlijke omstandigheden niet betwist. Hij heeft hierover het standpunt ingenomen dat appellanten niet voldoende inspanningen hebben geleverd om toegang tot voorzieningen als huisvesting en werkgelegenheid te krijgen, met name door zich te wenden tot hulporganisaties. Daarnaast heeft de minister tegengeworpen dat appellanten zich hadden moeten beklagen bij de Hongaarse autoriteiten. Over dit laatste punt heeft de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2026 onder 6.2 overwogen dat, gelet op de actieve tegenwerking door deze autoriteiten en de algehele uitbesteding van ondersteuning van statushouders aan ngo’s, alsmede het gebrek aan procedures in een voor appellanten begrijpelijke taal of een beschikbare tolk, niet duidelijk is wat de minister in dit verband concreet verwacht. Noch is op voorhand aannemelijk dat dit effect zal sorteren. Deze tegenwerping is dus geen deugdelijke basis voor de motivering van de minister.

3.5. De moeder en vader van het gezin hebben verklaard dat zij verschillende malen zich hebben gemeld bij de Hongaarse instanties belast met de ondersteuning van asielzoekers om hulp te krijgen bij het vinden van huisvesting. De moeder van het gezin heeft verder verklaard dat zij zich zes keer bij een werkgelegenheidsinstantie van de overheid heeft gemeld om werk te vinden. Deze pogingen hebben steeds tot niets geleid. In beroep hebben appellanten hiernaast ook mailwisselingen overgelegd met zes verschillende in Hongarije gevestigde ngo’s, waarin zij hun situatie voorleggen en vragen welke hulp er voor hen mogelijk is om te kunnen voorzien in hun essentiële behoeften, met name huisvesting. Voor zover de ngo’s op deze vragen hebben gereageerd, komen uit deze antwoorden geen concrete mogelijkheden voor hulp naar voren; integendeel, de verschillende ngo’s benadrukken het gebrek aan ondersteuning vanuit de staat, en dat ook de ngo’s die wel ondersteuning bieden, zeer beperkte capaciteiten hebben. Gelet hierop kan de tegenwerping dat appellanten te weinig inspanningen hebben geleverd om toegang tot voorzieningen te krijgen, niet gevolgd worden.

3.6. Tot slot kan evenmin het standpunt van de minister gevolgd worden dat, omdat appellanten een netwerk van familieleden in Hongarije hebben, verwacht mag worden dat zij zich opnieuw met hun hulp staande weten te houden. De minister gaat daarmee voorbij aan de specifieke omstandigheden waaronder appellanten eerder steun hebben weten te krijgen. Dat het in het verleden tijdelijk mogelijk was voor appellanten om kosteloos bij familieleden in te wonen, betekent niet dat daarom in algemene zin verwacht kan worden dat zij in de toekomst opnieuw op hen kunnen terugvallen voor huisvesting. De minister heeft althans ondeugdelijk gemotiveerd waarom de enkele aanwezigheid van een familienetwerk effectief de toegang voor appellanten tot essentiële voorzieningen zou waarborgen.

3.7. Samenvattend hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar zijn en dat het in hun geval niet mogelijk is gebleken om zich zelfstandig staande te houden en hun rechten te effectueren als statushouders in Hongarije, gelet op hun persoonlijke omstandigheden en de moeilijkheden die zij al hebben ervaren bij de toegang tot basale voorzieningen. De minister moet nader motiveren waarom appellanten, door hun bijzondere kwetsbaarheid, buiten hun eigen wil en keuzes om, bij terugkeer naar Hongarije niet zullen terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie.

3.8. De grieven slagen, voor zover gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de bijzondere kwetsbaarheid van appellanten. Voor het overige falen de grieven.

4. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 26 maart 2026 volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 6 september 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.35653;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 6 september 2024, V-[...],

V-[...], V-[..., V-[..., V-[..., V-[...;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzitter

w.g. Lagaaij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026

936

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J.M. Ristra-Peeters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand